Vrije tijd

Niet langer duwen dijken

de stromen water,

loopt het door sluizen

en gemalen,

neen, sinds de dijkdoorbraak

heeft niemand het nog in bedwang,

vloeit het vrij over het land,

maakt daar zijn eigen ware dromen,

totdat het alsnog in zee uitmondt.

Ik droomde dat…

Ik droomde dat hij naast me zat,

over mijn schouder meegluurde;

bij ieder getal dat ik als uitkomst noteerde

had ik wel een klok gehoord

maar geen idee meer waar diens klepel lag

en toen hij  de wanhoop op mijn gezicht registreerde,

begon hij zijn uitleg van vooraf aan.

Zijn geduld was eindeloos

en in mijn weide werd meermaals

een nachtmerrie gevoed.

Inmiddels zou ik wat geven,

voor zo’n wiskunde-tête-à-tête,

een moment dat hij  echt terugkeert

uit zijn eeuwigheid;

om te laten zien dat je zonder wiskunde

ook heel goed kunt leven,

maar voor veel meer dan dat:

als klein kind te kunnen klimmen op zijn schoot,

mijn tranen waarvan ik er altijd al teveel had,

door zijn zakdoek onhandig te laten drogen,

waarna ik prompt moet lachen om zijn grap,

voor zijn raad, weloverwogen,

voor zijn verhalen, echt of fantasie,

om hem te ruiken, te voelen,

om hem gewoon eventjes te horen…

Alleen – ukv

Als Zinan zelfs alle geknoeide kruimels heeft gegeten, gaat hij op zoek naar zijn medereizigers, die hij voor het laatst op de stoep heeft gezien. Maar ze zijn verdwenen. Besluiteloos blijft hij staan, rilt, ziet een entree en gaat er binnen. Hij slentert langs de etalages van de winkelgalerij, staart de ogen uit zijn kop, registreert nieuwe geuren. Bij een winkelrek met winterjassen voelt hij verlangend aan de warme, dikke stof. Als hij aanstalten maakt er eentje aan te trekken, krijgt hij een lawine van boze woorden over zich heen, al snel begeleid door twee handen die hem vastpakken.

Vervolg op Gerechtigheid?

Van oud naar nieuw

Met hen

waarmee ik nog met regelmaat wandel

door een straat

waarin wij ooit samen woonden,

met hen

waarmee ik nog vaak praat

over de meubels die er binnen stonden,

maar die nu zijn verdwenen,

met hen

stap ik op het zebrapad

naar een nieuwbouwwijk,

waar voor ons allemaal

een nieuwe woning staat,

die wij zullen verven en behangen

en ook nog meubileren

met een goede smaak

zodat het niets meer te wensen overlaat.

Confrontatie

Als ik met haar

voor de spiegel sta

zie ik in haar licht

al mijn onvolkomenheden,

zoals die kleine wrat

die al jaren

strak tegen mijn neusvleugel ligt

en dan houd ik van verlegenheid

mijn mond even stijf dicht,

maar dan wijst zij mij

op mijn heldere blauwe ogen

die achter ruggen om

zelden iemand hebben bedrogen.

Verandering van smaak

Mijn boom wast uit de kluiten,

zijn stam is scheef,

veel takken zijn krom.

Worden zijn appels niet melig?

Zaag ik hem niet beter om?

Maar als ik dan buiten kom

en appels kan rapen

om later te verdelen,

dan besef ik:

omzagen is dom.

Ik zal hem snoeien,

ik zal hem knotten

en voor de lol naast hem

een perenboom laten groeien,

in de hoop dat diens oogst

evengoed zal smaken.

Gerechtigheid? – ukv

Zinan stapt als laatste uit. Stijf van het dagenlange zitten, strekt hij zich. Hij knippert met zijn ogen, huivert. Ondanks de verblindende ochtendzon is het kil. Hij haalt diep adem. Ondanks de uitlaatgassen is deze lucht veel beter dan de bedompte in de vrachtwagen. Een luid toeterende auto jaagt de bijeen getroepte lotgenoten uit elkaar. Zinan vlucht de stoep op, botst tegen een met boodschappen beladen dame, die daardoor een broodje uit een overvolle broodzak verliest.  Vliegensvlug raapt hij het op, rent weg.
‘Zij had veel te veel, ik niks’, mompelt hij, terwijl hij het in een nis oppeuzelt.