Een begeerd ritueel

Juf Ine van de derde geeft Willem een vette knipoog als hij de speelplaats oploopt. Dit wordt zijn week. Vanwege zijn achternaam Witjes heeft hij er lang op moeten wachten. Hij loopt richting de deur.
‘Willem, nog niet’, roept de juf. Wachtend tegen de muur,  verliest hij haar niet uit het oog. Eindelijk knikt ze.
Hij schiet naar binnen, grist de bel van de vensterbank en komt met veel lawaai weer naar buiten. Alle kinderen zoeken hun eigen rij op. De juf knikt weer. Hij belt nog eens. Nu verstomt ieder geluid. Willem glundert. Wat een machtig moment.

Toegang

De ene ui

laat zich snel pellen,

zijn schillen, zijn lagen,

laten als vanzelf los,

zijn geur is penetrant,

blijft ondanks zeep en water

aan je handen hangen,

terwijl van die ander,

de lucht alleen voorbij komt drijven,

je diep moet snijden

en moet hopen

dat de kern je dan alsnog

niet ontglipt.

Vrijheid

De cocon beperkte mijn bewegen,

benam me mijn adem,

belemmerde het spreken.

Mijn woorden echoden,

keerden terug,

wierpen zich tegen me.

Nu hij van mijn lijf is verdwenen,

verdwaal ik in de vrijheid,

moet ik zonder leren leven.

Verbonden

Het is hier stil,

slechts de bomen ruisen,

vogelgeluiden zijn niet uitbundig

maar bescheiden,

ik voeg mij bij de dode

met wie wij jaarlijks eerbiedig

een moment

de oorlogsdoden herdachten.

Niet langer alleen

ligt hij met haar

onder een steen

op de eeuwigheid te wachten.

Nostalgisch

Als een baken
stond hij altijd
op twee benen
blozendrood
op de hoek van het plantsoen.

Aanvankelijk schoof ik mijn  boodschappen
en wensen voor een ander
tussen zijn tanden
– die verdwenen, werden een gleuf –
wetend dat ze via hen
op het juiste adres zouden belanden.

Hij had veel vrienden
die hem met regelmaat bezochten,
maar hun bij hem verwijlen
duurde nooit lang,
was zo voorbij.
Zijn trouwste vriend
was die van de posterijen,
die dagelijks langskwam,
hem van eventuele zware lasten bevrijdde.

Ik kwam er vaak,
maar tegenwoordig
lijkt mijn gang naar hem
niet meer zo nodig,
bijna overbodig,
wordt postzegel plakken nostalgisch,
alsook het ommetje
dat ik via hem,
mijn brievenbus, maak.

Het mannetje en de macht: geen sprookje – ukv

In het geniep werkt hij aan zijn succes. Hij haakt pootjes zodat zijn mogelijke tegenstanders struikelen of vallen, baant zich met zijn ellebogen een weg, legt herhaaldelijk zijn woorden in de monden van aanvankelijk ongeïnteresseerden, zodat zij er in gaan geloven, zeker als ze die oneliners ook nog overal op pamfletten en affiches tegenkomen.
Zonder een tegengeluid te hebben willen horen behaalt hij een eclatante overwinning.
Als de eerste kritische journalisten hem na zijn overwinningsspeech, voor een grote menigte ondervragen staart hij ze glazig aan. Hij begint te stamelen, kan geen zinnig woord uitbrengen. Even later druipt hij af.

Wansmaak

Tussen de zoete geuren

van mijn geschiedenis

huist een lucht

die als hij eenmaal

in mijn neus aanwezig is,

brutaal mijn mond in kruipt

en niet verdwijnt

als ik even slik,

met niets valt weg te spoelen,

zodat het uren duurt

voordat hij weer verdwenen

en eventjes vergeten is.