Vakantie

Onwennig op het grote strand,

voel ik met mijn kleine teen

waarna kabbelende golfjes

mijn voeten overspoelen,

dieper mijn knieën lijken te roepen,

langzaam waad ik verder

tot over mijn beide dijen.

laat me vallen,

laat me drijven

in die onmetelijke zee.

Niemand zal mijn koers bepalen,

alleen die schijnbare

eindeloze zee.

Inwijkeling; een herinnering – ukv

Moederziel alleen staat hij daar. Op het lege aanrecht.
Potverdrie, alweer vergeten. Dat komt door haar eeuwige getreuzel, moppert ze. Ze kijkt op haar horloge, het kan nog, schiet in haar jas, grist hem mee, haast zich naar buiten, manoeuvreert haar fiets uit de schuur en racet naar school.
Alleen de kleuters zijn nog buiten.
‘Wat kom jij doen?’ vraagt het jongetje aan de hand van de kleuterjuf.
Ze  glimlacht, kijkt in zijn grote ogen, praat met zijn juf, geeft haar de boterhammendoos.
Dag hè, groet ze.
’Jij praat raar’, zegt het jongetje.
Vlaamser zal haar taalgebruik nooit worden.

Nat

Deze weergod

is een extremist,

hij geeft ons

veel te natte,

of veel te hete,

droge dagen,

maar desgevraagd zegt hij

dat de mens voor de aarde

beter zorg moet dragen

en niet altijd moet handelen

als een egoïst.

Gevangen – ukv

Nadat ik mijn rugzak heb afgedaan, plof ik op een rotsblok. De lucht is staalblauw. Vanaf deze heuveltop kan ik eindeloos ver kijken. Al die hectische maanden heb ik naar deze uitgestrekte eenzaamheid. Eindelijk zou ik geen brede drukke wandelroutes, maar met mijn kompas in alle vrijheid zelf mijn weg, soms over geitenpaadjes, kiezen. Nu word ik er mistroostig van. In de wijde omtrek is niemand te zien.  
Ik doe mijn schoen uit, kijk naar mijn enkel, die langzaam zwelt. Erop staan is pijnlijk.  
In mijn hunkerend verlangen om ongebonden te zijn, liet ik mijn telefoon thuis