Droog

Als we blijven smijten met teveel water,

als de fonteinen zich volledig hebben leeg gezongen,

als de slangen in de tuinen

nog maar enkele druppels van de kraan doorlaten,

als, ja wat dan?

Dan vallen we nimmer

nog van de regen in de drup,

dan worden de gazonnen geel en gort,

dood en dor.

En als mijn tong

aan mijn verhemelte blijft kleven,

dan laat ik het water stromen

tot het einde van mijn dorst.

Melancholie

Het gemis

van mijn zomeravondkameraad

is niet te beschrijven;

zonder hem

is er nooit meer

een serenade,

is er wel veel herrie

van de razers en de jagers

in dit leven,

van kunstvogels in de lucht

en spaarzaam getsjilp, gekwetter

van een meesje en een vink en

in de heg

tetteren een paar mussen

onophoudelijk hun verhaal,

ondanks al die geluiden is het stil.

Bruisend van leven

was hij tegen een ondoordringbaar raam gevlogen,

op het glas

van het veranda-dak

zag ik

hoe hij daar lag:

mijn trouwe tuinbewoner:

meer dan gewond.

Over mijn wangen

stromen droge tranen,

bijna constant.

Bureaucratie

Hier wil hij weg,

hij kan zich er niet bewegen,

hij zit gevangen,

zit verstrikt.

Hoe hij ook probeert zich los te scheuren,

hoe hij zich ook wendt of keert,

hele of complete delen

van de draden van het web

zullen altijd aan hem blijven kleven.

Met die beperking moet hij leren leven.

Vechter

Overschaduwd, overwoekerd

door naar onkruid

blijft het bloempje minuscuul,

maar de bol

vlak onder de grond,

is standvastig,

laat zich niet kisten,

houdt het vol.

Met af en toe een beetje vocht,

overstijgt hij zijn belagers

en komt hij tot volle bloei.

1971

Ze staarde door het raam

in de gloednieuwe straat,

vanuit een gloednieuwe kamer

vanachter een gloednieuw bureau,

sabbelde op een gloednieuw potlood,

waarmee ze in gloednieuw schrift

zou moeten schrijven,

maar niet deed

omdat haar blik gevangen werd

door de lonkende ogen

van een metselaar

die stenen stapelde

voor een ander gloednieuw huis.

Glazen stolp

Lankmoedig

staan de lantaarnpalen in het gelid,

schijnen hun licht

over laveloze labielen

die lachend, lallend lanterfanten,

een lawine van onverstaanbaarheid produceren,

zien hoe de lakeien de lamellen laatdunkend sluiten.

Voor de koning en zijn gevolg

gaat het labyrint

dat de boze buitenwereld voor hen is,

waarin zij eenvoudigweg zouden verdwalen,

voor de komende uren dicht.

Inwijkeling – ukv

Smakelijk dist Frida een van haar verhalen op. Af en toe klinkt een lachsalvo. Alle vriendinnen bulderen als ze het besluit. De Italiaan achter de toog geniet mee.
Het verhaal heeft bij Kim een smeuïge herinnering losgeweekt. Ze popelt om het te vertellen. Aarzelend steekt ze van wal. Als altijd spoken de rijtjes automatisch door haar hoofd. Drie rijtjes, steeds opnieuw.
Eenmaal op dreef, stokt ze: ‘Sorry, dat was fout.’ Haar wangen kleuren.
Alle ogen zijn op haar gericht. ‘Wat dan?’
‘Verkeerde naamval gebruikt.’
‘Vertel verder, niemand heeft dat gehoord,’ zegt Frida. Dat wordt door iedereen beaamd.

Gewist

Niet langer

neus ik in het nest,

iets te vaak

was het daar raak,

werd ik in mijn gezicht gestoken,

zwollen daarop

mijn reukorgaan,

mijn wangen, mijn gelaat ,

had ik ontembare jeuk.

Nee, ik laat het nest verdelgen

zodat het voortaan

geen deel meer uitmaakt

van mijn bestaan.